HOME
Top

BAVEL.info

DE AANLEG VAN DE NIEUWE BOULEVARD

DE AANLEG VAN DE NIEUWE BOULEVARD (*)

            Het is ons bij den eersten oogopslag duidelijk, dat de Baronielaan nog jong is. Deze deftige huizen aan weerszijden verwonen geen enkelen verweerden steen; de boomen, die over een twintigtal jaren genoeg schaduw zullen geven om dezen weg met recht tot een laan te bestempelen, zijn thans nog zoo klein, dat zij noch bijdragen tot de schoonheid der Baronielaan, noch dienen kunnen ter beschutting tegen de brandende zon, aldus Herman de Ruiter in 1907 in zijn Geïllustreerde Gids voor de Baronie van Breda. We gelooven echter niet te veel te wagen, wanneer we voorspellen, dat binnen enkele jaren Breda's omstreken zijn verrijkt met een mooien, breeden, aaneengebouwden, schaduwrijken wandelweg. Dc plannen voor de aanleg van een nieuwe boulevard van Breda naar het Mastbos, de huidige Baronielaan, schijnen ontwikkeld te zijn in de loop van 1896. De eerste concrete handeling vond plaats op 2ó juni 1897, toen Maria Leyten, weduwe van de bouwman Adrianus Verschuren, ruim vijf hectare grond overdroeg aan de heren Pieter Jacobus van Houten, Karei Meier de Jong, Sirnon Cornelis Korteweg en Eduard Laurentius AdolfPenn, allen wonende te 's-Gravenhage en Johannes Paulus Mooijman wonende te Stompwijk. Deze akte werd gepasseerd voor de Chaamse notaris Van Hal. Op dezelfde dag droegen tien verschillende eigenaren voor de Bredase notaris Verheggen stukken weiland over aan dezelfde kopers. Op 28 juni daaraanvolgend verkocht Lambertus Bielars nog eens zes herenhuizen aan de huidige Wilhelminastraat aan George Antonius Soeter en Cornelis Martinus Georgius Nieraad. Hiermee was de ondergrond voor de aanleg van de huidige Baronielaan en de verkaveling van de aangrenzende bouwterreinen in één hand gekomen. Door een samenloop van omstandigheden was deze gelegen onder niet minder dan drie gemeenten: Teteringen, Princenhage en Ginneken.



Groene beemden

            T er plaatse waar nu de Baronielaan ligt, vonden we toen slechts beemden. Voor een nieuwe stadsuitbreiding van Breda scheen dit niet de meest geschikte plaats te zijn. De Zandbergweg lag nog hoog, maar de gronden langs de rivier de Mark waren laag gelegen en stonden regelmatig 's winters onder water. Toen de bekende dominee Craandijk in 1879 van Breda naar Ginneken wandelde, had hij vanaf de Ginnekenweg nog een onbelemmerd uitzicht over de Mark en kon hij in de verte zelfs de toren van Princenhage zien. Ruim is het uitzicht over de akkers en weiden; ^inds uit de vlakte, waardoor de Mark zich kronkelt, rijst de ho^je toren van Prinsenhage, aldus de dominee .

‘Een grootsch plan tot stand gekomen’

           Na de aankoop van de grond konden de plannen openbaar worden gemaakt. Op 23 juni 1897 werd er voor het eerst een artikeltje in de Nieuwe Bredasche Courant aan gewijd en in de Bredasche Courant van 24 juni en de Nieuwe Bredasche Courant van 27 juni werden de plannen uitgebreid ontvouwd. De Haagse wijk Duinoord wordt in deze artikelen genoemd als voorbeeld van een wijk, aangelegd door een bouwgrondmaatschappij, die kan gelden als een sieraad voor de stad. Verschillende buiten­wijken van Rotterdam, de Haagse Schilders- buurt en Zeehelden­buurt en de Antwerpse wijk Borgerhout daarentegen waren voorbeelden van hoe het niét moest. De indeling van de boulevard was anders dan de huidige. Oorspronkelijk was de bedoeling in het midden van de weg een plantsoen aan te leggen met twee verhoogde voetpaden en met bomen beplant. Links en rechts van de middenberm waren macadamwegen voorzien die de fietser zal doen watertanden, aldus de Nieuwe Bredasche Courant. De plattegrond van het plan komt ons bekend voor. De nieuwe Boulevard zou beginnen aan de Wilhelminastraat en eindigen aan het Mastbos. Halverwege was een rondpoint gepland. In de krant werd de verwachting uitgesproken dat dit nog wel eens het beginpunt zou worden van een boulevard naar Princenhage en het Liesbos. Concrete plannen in deze richting schijnen er echter niet geweest te zijn. Over de rivier de Mark zou een fraaie brug worden gelegd.

           N De aanleg van de boulevard werd geassocieerd met alles wat op dat moment nieuw en modern was, zoals auto's en fietsen. Veertienhonderd meter lang is die boulevard, waarover de Ginneken- sche tram hare rijtuigen zal doen rollen, waar in de lente alles vol jroen en bloemen zal wezen, waar de auto-car's en de vélocipèdes in ^rooten getale zullen te zien zijn en het va-et-vient van duizenden wandelaars op den beschaduwden weg tusschen de kartellijn der mooie gevels, den verbaasden Bredanaars in gedachten zullen verplaatsen naar Brussel of Parijs! Aan het eind van zijn artikel raakte de jour­nalist helemaal in extase. Wij voor ons zien in den aanleg van dien boulevard een stap in de richting, zoolang reeds - doch zonder succes - voorgestaan door zeer velen: een flinke uitbreiding van Breda, door annexatie van een deel van Teteringen en 's-Princenha^e, door annexa­tie vangeheel Ginneken (...). Breda de hoo/dstad van Noord-Brabant! Op 4 juli gaf de Nieuwe Bredasche Courant nog een aantal reacties op de plannen l6). Door velen werd betreurd, dat niet dadelijk een groter plan was opgezet, waarin ook een plan was opgeno­men voor een boulevard van het rondpoint naar het Liesbos. Anderen hadden graag gezien dat een gedeelte van de rivier de Mark opgenomen zou zijn in het boulevardplan, waarschijnlijk 6 in een parkachtige aanleg.

De Bredasche Bouwgrond-Maatschappij



           Op 28 ju li 1897 vervoegden zich zeven heren bij notaris Verheggen om de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij op te richten, de eerder genoemde Pieter Jacobus van Houten, Karei Meier de Jong, Simon Cornelis Korteweg, Johannes Paulus Mooijman, Eduard Laurentius Penn, wonende te 's-Gravenhage, George Antonius Soeter en Cornelis Martinus Georgius Nieraadb). Van Houten gaf als beroep op 'particulier', De Jong was accountant, Korteweg was lid van het hoofdbe­stuur van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw te 's-Gravenhage en Penn was kassier (bankier zouden wij tegen­woordig zeggen) en lid van de firma E. Penn en Compagnie te 's-Gravenhage. George Antonius Soeter was agent van de Noordbrabantsche Bank te Breda en Nieraad architect en lid van de firma Van Gendt en Nieraad te Arnhem. De nieuw opge­richte naamloze vennootschap had ten doel het verkrijgen, verkopen, ruilen, huren en verhuren van bouwgronden in of nabij de gemeente Breda. De eerste vijf oprichters werden tot commissaris benoemd en Soeter en Nieraad tot directeur.

Gedrukte plattegrond van de Boulevard Breda-Mastbosch, uitgegeven in 1899 door de Bredasche Bouw grond-Maatschappij, met de bouw terrein en van de maatschappij. (Collectie Breda’s Museum)

Macadam

           In december 1898 was er al een tiental huizen in aanbouw De afwerking van de nieuwe Boulevard begon nu snel te naderen. Op 28 april 1899 werd door de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij het leggen van cementriolen en trottoirbanden en het verharden van de rijwegen met zogenaamde macadam aanbesteed. De onderste laag van de verharding bestond uit een vleilaag van steenstukken. Daarop bevond zich een laag van tien centimeter klinkerpuin, daarop drie centimeter vettig zand en daarop weer een laag grove grind. Elke laag werd gewalst totdat hij voldoende stevigheid had. De goten werden bestraat en de trottoirs voorzien van hardstenen trottoirbanden. In september 1899 was men nog bezig met het aanbrengen van de macadam. Oorspronkelijk was het de bedoeling tussen de bomen in het midden van de boulevard een plantsoen aan te leggen. Bij nader inzien zag men daar toch van af. Er werd kiezelsteen gestort en de ruimte werd tot wandelpad bestemd. Aan het einde van 1900 was de gehele aanleg voltooid en waren reeds vele huizen in aanbouw. Voor zover na te gaan is de Boulevard echter nooit met enige plechtigheid officieel geopend.



De liquidatie van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij



           Nadat de bouwgrondmaatschappij haar taak had volbracht, het aanleggen van een weg en het exploiteren van de aanliggende bouwterreinen, kon de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij worden opgeheven. Bij de oprichting was de vennootschap aangegaan tot 31 december 1915. Geheel in overeenstemming daarmee werd op de vergadering van aandeelhouders te 's-Gravenhage van 6 november 1915 het besluit genomen de bouwgrondmaatschappij te liquideren. In 1918 verkocht de bouwgrondmaatschappij in liquidatie nog een aantal percelen en in 1921 werd de ondergrond van de huidige Cartier van Disselstraat aan de gemeente Ginneken en Bavel verkocht. In 1922 werd het laatste perceel bouwterrein, dat niet aan de Baronielaan gelegen was maar aan het Boeimeerstraatje (de huidige Grazendonkstraat), verkocht aan de bouwondernemer Chr. Beekers.

Foto's van de nog onbebouwde Boulevard zijn zeldzaam . Dit is het briefhoofd van de makelaar George Soeter. (GABreda, afd. I-3/4, inv. nr. 3103)

De Avenue Tervueren

           De grootste avenue is de Avenue de Tervueren of de Tervurenlaan. Reeds vanaf ongeveer 1880 was de Belgische koning, Leopold II, bezig met plannen om zijn domeinen in Tervuren, niet ver van Brussel te ontwikkelen. In 1895 werd een overeenkomst gesloten tussen de Belgische Staat en de industrieel Edmond Parmentier, die als particulier investeerder de laan aan zou leggen. Parmentier was echter niet meer dan een stroman van Leopold II. De Belgische koning was tevens hoofd van de onafhankelijke Kongostaat en de inkomsten uit de ivoor en de rubber stelden hem in staat enorme werken te ondernemen. In 1896 werd het definitieve tracé van de nieuwelaan vastgelegd! De Internationale Tentoonstelling van Brussel, die gepland was voor 1895, werd twee jaar uitgesteld om de Tervurenlaan aan te kunnen leggen en in Tervuren een Kongolese afdeling te kunnen bouwen. Het jaar van deze tentoonstelling valt dus samen met het jaar waarin de Boulevard Breda-Mastbosch werd aanbesteed. Van de buitenboulevard tot aan het Domein van Tervuren heeft de avenue een 12 lengte van tien kilometer. Vanaf het Jubelpark slingert hij zich met wijde bochten naar het Zoniënwoud en vandaar naar het Domein van Tervuren. Op strategische punten wordt hij onderbroken door ronde of ovale pleinen, onder andere de Square Leopold II. Op de affiche die uitgegeven is ter gelegenheid van de Exposition Coloniale de Tervueren in 1897 is de Tervurenlaan te zien in vogelvlucht Toen was ook al de elektrische tram lijn geopend die Brussel met Tervuren verbond. Aan de Avenue lag de renbaan van Stokkel. Op de dagen van de wedstrijden waren er extra tram verbindingen. Ook in andere onroerend-goed-ontwikkelingen van rond de eeuwwisseling zien we de aanleg van sportterreinen.



De ontwikkeling van Breda aan het einde van de negentiende eeuw

           Tot 1869 was Breda omringd door vestingwerken en van stadsuitbreiding was enkele honderden jaren geen sprake geweest. Van 1869 tot 1881 werd de vesting echter ontmanteld en werden hier de royaal bemeten Singelgracht aangelegd en de boulevardachtige, dertig meter brede Willem straat, Sophiastraat, Nieuwe Boschstraat, Nieuwe Ginnekenstraat en Nieuwe Haagdijk. De overgebleven gronden werden doorsneden door straten van 16 meter breed. Dit uitbreidingsplan, het zogenaamde Plan van Uitleg, werd ontworpen door de 'Ingenieur der Domeinen voor de Ontmanteling der Vestingen', F.W. van Gendt. Na de ontmanteling van Breda kwam er aarzelend lintbebouwing op gang langs de Ginnekenweg. Een belangrijk onroerend-goedproject mislukte echter in 1879. Blijkbaar was de tijd nog niet rijp. Pas nadat de Ginnekensche Tramweg-Maatschappij in 1884 een tramlijn had geopend, kwam de ontwikkeling hier goed op gang Bijna alle nog niet bebouwde grond langs de tram lijn werd opgekocht door aannemers en als bouwgrond gexploiteerd. In 1893 was de verstedelijking van de Ginnekenweg voltooid Breda en Ginneken waren verbonden door aaneengesloten bebouwing en de weg was door de diverse gemeentebesturen voorzien van trottoirs en straatverlichting.



Het Mastbos

           In 1881 besloten de betrokken gemeenten een keiweg aan te leggen van Ginneken naar Princenhage. In 1884 werd de weg voltooid en in datzelfde jaar werd tevens de Duivelsbrug vernieuwd. Het tracé doorkruiste het Mastbos en volgde de huidige Duivelsbruglaan, Burgemeester Kerstenslaan, Burgemeester de Manlaan, Dr. Schaepmanlaan en Dokter Batenburglaan, waarna de weg aansloot op de steenweg van Antwerpen naar Princenhage. De toerist die zich vóór 1897 naar het Mastbos begaf, liep van de Ginnekenmarkt over de Duivelsbrug de steenweg naar Princenhage op. In het gidsje Breda en Omstreken in Woord en Beeld moest hij eerst het romantische verhaal aanhoren over de klok die daar ter plekke door de duivel in de rivier de Mark gegooid was Naast de brug vond hij het hotel met dezelfde naam, vanwaar hij kon genieten van het uitzicht over het Markdal en de witgepleisterde villa's Mariëndaal, Valkrust en Bouvigne en het Mastbos. De straatweg aanhoudende maakte hij kennis met hotel Dennenoord en met Wörishofen. Weldra sluit de weg zich aan bij eene allee naar het Mastbosch. Aan den ingang verrijst een eersterang-hotel, het Hotel Mastbosch, in fraaien stijl ópgetrokken. Aan het eind der laan ziet men het Boschwachtershuis. De eenvoudige boerenwoning, dit fraaie gedeelte van het Mastbosch gansch niet ontsierend, is nu verdwenen en vervangen door eengebouw, geheel "ingericht naar de eischen des tijds". (...) Nog op menige andere plek biedt het bosch schoone partijen aan en met welgevallen luistert men naar het ruischen der hooge naaldboomen en ademt den frisschen geur der dennenaaiden in, terwijl het oog rust op het jeugdig groen der dennen, maar het heeft geen andere dan rechte wegen en lanen; alles duidt op aanleg, aankweking.



Hotel Mastbosch

           In 1997 zal Hotel Mastbosch op de hoek van de Burgemeester Kerstenslaan en de Burgemeester de Manlaan zijn eerste eeuwfeest kunnen vieren. Het is daarmee het enige van de vele Ginnekense grote hotels dat de tijden heeft weten te overleven. In 1896 kocht de oud-Rijnvaartkapitein Adrianus de Groot een perceel grond van de Princenhaagse bouwman Johannes Bastiaansen en binnen een jaar liet hij hier een hotel bouwen. Het werd geëxploiteerd door A.Th Wolters Volgens de journalist van de Bredasche Courant maakte het gebouw een grootse indruk. Het was gebouwd in Vlaamse renaissance-stijl door de architect J.J. van der Horst. De gevel van het middengedeelte met de hoofdingang is nog dezelfde als die van een eeuw geleden. Wanneer men de ruime marmeren gang binnentrad, had men al meteen de indruk van een hotel van de eerste rang. Het ameublement was geleverd door de Bredase firma Gescher en Kemper en dus van goede kwaliteit. In het gebouw bevonden zich 25 logeerkamers, alle even ruim en met fraaie uitzichten op Breda en Ginneken en de omgelegen bossen. Het hotel beschikte over een eigen waterleiding. Waarschijnlijk bevond zich een watertank boven in het torentje hoven de ingang. De verlichting was uniek in Nederland. De gasverlichting geschiedde namelijk door een installatie die regelmatige druk uitoefende op gecomprimeerde gasoline, een inrichting die aangebracht was door de heer Hesselink, ingenieur te Waddinxveen. Om publiek naar het hotel te lokken werden er regelmatig concerten gegeven, op 20 juni 1898 bijvoorbeeld door de Princenhaagse harmonie Cecilia. In 1899 verkocht De Groot het hele complex aan de in Dordrecht wonende restaurateur Aalbert Das. Nauwelijks een jaar later werd het hotel overgeschreven op naam van zijn zoon Leendert Das, die tot 1943 eigenaar bleef.



'BOUWTERREINEN TE KOOP AAN BILLIJKEN PRIJS'

           De Bredasche Bouwgrond-Maatschappij was verantwoordelijk voor de aanleg van de nieuwe Boulevard en ontwikkelde de aangelegen terreinen tot bouwgrond. Het bouwen van huizen werd echter aan anderen overgelaten. Het grootste deel van de huizen aan de Baronielaan is door aannemers gebouwd in eigen beheer. Ze werden verhuurd en pas later kwam de een na de ander in bezit van eigenaar-bewoners. Zelfs een groot en voornaam woonhuis als 'Villa Merula' was aanvankelijk een huurhuis. Vanaf maart 1898 werd overgegaan tot verkoop van bouwgrond door middel van een voorlopig koopcontract De perelen werden met moderne middelen onder de aandacht van het publiek gebracht. Al direct in 1899 werd er een gedrukte plattegrond uitgeven waarop alle terreinen van de bouwgrondmaatschappij zijn aangegeven, zodat potentiële kopers konden zien welke terreinen nog beschikbaar waren. Ook op andere manieren werden de terreinen te koop aangeboden. In het eerst bewaard gebleven nummer van de Woninggids voor Breda en Omstreken, uit 1903, komt de volgende Advertentie uit J.F. Corsten s, Gids voor Breda en omstreken uit voor bouw terrein en aan de Boulevard. advertentie voor: Van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij te koop: diverse perceelen Bouwterrein, in de onmiddelijke nabijheid van Breda en Mastbosschen van Ginneken. Zeer veele perceelen belenden aan de achterzijde aan de rivier "de Mark". In 1910 plaatste Soeter een advertentie van een halve pagina in de Woninggids, die herhaald werd tot in 1913. Ook in de toeristische Gids voor Breda en omstreken, geschreven door Dr. Corstens en uitgegeven in 1902, mocht een advertentie niet ontbreken. Een volle pagina wordt in beslag genomen door de tekst Boulevard Breda-Mastbosch, Bouwterreinen te koop aan billijken prijs. Plans en inlichtingen te bekomen ten kantore van de Heeren G. Soeter, Ginnekenstraat 115 Breda en C.M.G. Nieraad, Architect te Arnhem. Ter plaatse werden reclameborden aangebracht. Waarschijnlijk werden op de borden nogal wat modieuze, Franse woorden gebruikt, getuige het carnavalskrantje De Somnabule uit 1908: Reclame-Schilders gevraagd. Bij de Boulevard-Maatschappij kunnen bekwame Schilders geplaatst worden voor het schilderen van Reclameborden. Zij die de Hollandsche taal niet machtig zijn,genieten de voorkeur.





Erfdienstbaarheden

           In de verkoopaktes van grond aan de nieuwe Boulevard werden allerlei bepalingen opgenomen, de zogenaamde servituten of erfdienstbaarheden. Deze verplichtingen bleven op het perceel rusten, onafhankelijk van koper en verkoper. Dit was een normale praktijk van exploitatiemaatschappijen in de negentiende eeuw. Van overheidswege was namelijk tot 1900 zeer weinig vastgelegd in bouwverordeningen. In die van Teteringen, Princenhage en Ginneken werden geen regels gegeven omtrent de welstand van nieuw gebouwde huizen. De erfdienstbaarheden laten zich lezen als een soort bestemmingsplan voor de nieuwe Boulevard. De koper mocht op zijn grond geen fabrieken bouwen of werkplaatsen, magazijnen of ziekenhuizen. Hij mocht alleen maar woonhuizen bouwen van minstens twee verdiepingen. Deze mochten nimmer worden bestemd tot bordelen. De tekeningen van de voorgevels van de nieuwe huizen moesten door de directeur van de Bouwgrond-Maatschappij worden goedgekeurd. De voorgevels van de te stichten gebouwen mochten overigens niet in mindere geest zijn dan de voorgevels van de huizen aan de Wilhelminastraat. Als het huis zou worden gesplitst in boven en benedenwoningen zouden de afzonderlijke woningen een huurwaarde moeten hebben van minstens driehonderd gulden per jaar.Vóór de huizen moest een tuintje blijven liggen van minstens zes meter diep. De percelen moesten van de weg worden afgescheiden door nette ijzeren hekken, die niet met metaal of ander materiaal mochten worden gedicht. De voortuintjes moesten netjes worden aangelegd en onderhouden. Er mochten wèl heesters en struikgewas, maar geen opgaande bomen, koepels of andere getimmerten worden geplaatst. Binnen één jaar moesten de gekochte percelen bebouwd zijn. Dit voorschrift is belangrijk, omdat hieruit gemakkelijk de bouwdatum van de huizen kan worden afgeleid. De kopers mochten geen overweg verlenen aan aangrenzende percelen die niet het eigendom waren van de Bredasche Bouwgrond- Maatschappij, dit waarschijnlijk om te voorkomen dat andere exploitanten nieuwe straten zouden aanleggen, aansluitend aan de nieuwe Boulevard, en zo zouden profiteren van de investeringen van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij. De kopers waren bovendien verplicht de tuinen achter de te stichten gebouwen af te sluiten door een houten heining van minstens twee meter hoog, samengesteld uit vurenhouten delen met eikenhouten palen. Ten laste van de verkochte percelen werd een grondrente gevestigd ten behoeve van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij van één gulden 25 cent voor elke strekkende meter breedte dat het perceel zou innemen langs de Boulevard. De op dit ogenblik geldende Bebouwingsvoorschriften Baronielaan, die vastgesteld zijn in 1936, zijn min of meer identiek met de originele erfdienstbaarheden

Adverteren

           Allereerst werden de terreinen verkocht aan de zijde van de Wilhelminastraat. Het eerste perceel dat officieel werd overgedragen, werd verkocht voor notaris Verheggen op 4 augustus 1898 aan Jan Adam Tyken, eerste luitenant der infanterie. Op dit perceel werd het huidige pand nummer 34 gebouwd. De terreinen werden echter niet aaneensluitend verkocht. 16 Verkochte en onverkochte percelen wisselden elkaar af. De ondergrond van de huizen 16-18 en van 28-32 bijvoorbeeld, werd op 5 augustus 1898 door de bouwgrondmaatschappij verkocht aan de architect Anton van der Lee. De tussengelegen percelen werden pas in 1900 verkocht aan de parochie van het Heilig Hart van Jezus voor de bouw van de kerk en de pastorie. In 1900 was de grens van de verkochte percelen al opgerukt tot voorbij de kerk in aanbouw. Bovendien was in het gedeelte ten noorden van de Mark nog een enorm perceel verkocht aan een speculant. In tweede instantie begon de Bredasche Bouwgrond- Maatschappij percelen te verkopen aan de zijde van het Mastbos. Het eerste perceel hier werd in 1901 verkocht aan de weduwe Chamot, een stuk grond op de hoek van de huidige Willem van Oranjelaan. Op 28 april 1902 verkocht de bouwgrondmaatschappij een groot perceel aan de overzijde aan de aannnemer Gijsbertus van der Sande. Deze bouwde hier later meerdere huizen. Toen Herman de Ruiter in 1907 over de Baronielaan fietste constateerde hij: Er zijn hiaten in de huizenrijen, maar (deze worden) hoe langer hoe kleiner: de grootste heeft men nu nog in het midden; het begin en het einde schijnen de bouwondernemers het meest te hebben aangetrokken. Het middelste gedeelte van de bouwterreinen, ruwweg begrensd door de rivier de Mark en de Cartier van Disselstraat, werd tussen 1905 en 1913 in een groot aantal percelen verkocht aan de Ginnekense aannemer Johannes Segeren Corneliszoon. Zolang de bouwterreinen nog niet verkocht waren werden ze met gras bezaaid of beplant met heesters. Deze perken van hooje heesters worden zóó aangelegd, dat zij een bekoorlijke afwisseling zullen bezorgen, door nu eens het uitzicht te belemmeren, en dan weder gelegenheid te schenken om van mooie vergezichten te genieten, aldus de Nieuwe Bredasche Courant in 1898 (6o). Op de topografische kaart 1:25.000 die bijgewerkt is in 1904, zien we dat de onbebouwde terreinen tussen de Boulevard en de Mark inderdaad beplant zijn met gras en dat er enkele boomgroepen zijn geplant. Vaak werden bouwterreinen tijdelijk gebruikt als voetbalveld. Op 17 september 1899 bijvoorbeeld had de Ginnekensche Voetbal-Vereeniging G.V.V. een match op haar terrein aan de linkse kant van de Boulevard. Een mooi nieuw terrein, aldus de Nieuwe Bredasche Courant.



Particulieren

           Een relatief gering aantal percelen werd verkocht aan particulieren die daar een woonhuis voor zichzelf op bouwden. Voorbeelden daarvan vinden we vooral op het eerste gedeelte van de Baronielaan, tot even voorbij de kerk: de weduwe Bielars het hoekpand Wilhelminastraat 52, Th. Jamez (nummer 4), J.A. Tyken (nummer 34), Van Bilsen (9 en 11), G.H.W. van Haaften (nummer 43) en M. van Eijk (nummers 45-47). Deze percelen zijn allemaal verkocht vóór 1901. Verderop is Huize Trianon nog een voorbeeld. De ondergrond daarvan werd gekocht in 1908 door de fabrikant W.J. Verschure



Speculanten

           We kennen slechts één duidelijk voorbeeld van een grond- spcculant. Op 28 april 1899 meldde de Nieuwe Bredasche Courant dat de Bouwgrond-Maatschappij aan een consortium van drie lieren uit Den Haag een oppervlakte grond van niet minder dan anderhalve hectare had verkocht. Volgens de leggers van het kadaster betreft het hier Jan Corver, particulier te 's-Gravenhage en de architecten Zacharias Hoek cn Johannes Thomas Wouters, eveneens uit Den Haag Het grootste gedeelte van de grond lag aan de oostzijde van de Boulevard, ten noorden van de huidige Grazendonkstraat. Een iets kleiner perceel lag aan de westzijde, juist ten noorden van het huidige Engelbert van Nassauplein.In de Bredasche Courant van 23 juli 1899 komt een advertentie voor waarin |. Hoek en J.Th. Wouters belangstellenden uitnodigden voor een vergadering op 26 juli in het café De Beurs van Breda. De bedoeling was een Coöperatieve Bouwvereniging op te richten voor officieren en ambtenaren tot het stichten van eigen woningen aan de Boulevard. Deze poging is blijkbaar mislukt, want later horen we er niets meer van.



De Villa Bouw maatschappij Mastbosch

           Na enkele jaren vond Soeter het blijkbaar gewenst voor de verdere exploitatie van de gronden van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij nieuw kapitaal aan te trekken. Op 29 juli 1904 werd voor notaris Bode te Ginneken een tweede maatschappij opgericht, de Villa Bouwmaatschappij Mastbosch!. Het doel van de maatschappij was het exploiteren van onroerende goederen aan de Boulevard van Breda naar het Mast­bosch. Soeter werd directeur van de nieuwe maatschappij. Bij dezelfde akte werd hem toestemming gegeven twee percelen aan de Boulevard te kopen, drie dubbele villa's aan te besteden en een geldlening te sluiten. Op 23 september 1904 verkocht de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij voor notaris Bode aan de Villa-Bouwmaatschappij (met andere woorden Soeter verkocht aan zichzelf) twee percelen bouwterrein. Eind 1904, begin 1905 werden hier de drie dubbele villa's 223-225, 227-229 en 231-233 gebouwd. De Villa Bouwmaatschappij was blijkbaar geen succes, want in 1905 en 1906 werd de overgebleven grond verkocht aan andere bouwers

Eigenbouwers

           Het grootste deel van de bouwterreinen werd gekocht en bebouwd door aannemers. Deze traden op als zogenaamde eigenbouwers, dat wil zeggen dat ze in eigen beheer woningen bouwden om die later te verhuren ofte verkopen. Zij bouwden lange rijen huizen. Deze zijn echter moeilijk te herkennen omdat elk pand voorzien is van een eigen voorgevel. Een goed voorbeeld van een dergelijke eigenbouwer is de familie Van der Sande. Vóórdat de nieuwe Boulevard werd aangelegd, was de Bredase metselaar Gijsbertus van der Sande al actief aan de Ginnekenweg. In 1888 kocht hij samen met zijn zwager Thomas Gerardus Schonck een aantal percelen aan de oostzijde van de Wilhelminastraat en bouwde daar de huizen 13-23. In 1893 bouwde hij de huizen Ginnekenweg 27-43. Op x5 m e i 1900 kocht Van der Sande, die zich intussen aannemer noemde, een groot perceel op de hoek van de Boulevard en de W ilhelmina-straat (S7f In 1900 bouwde hij hier het hoekpand Baronielaan-Ginnekenweg en op hetzelfde perceel bouwde hij in 1901 het pand Baronielaan nummer 7, waar hij zelf ging 18 wonen. Op 28 april 1902 kocht Van der Sande een groot perceel aan de oostzijde van de Boulevard, vlak bij het bos. Hij bouwde hier een lange rij huizen. Van der Sande overleed in 1903. Op 4 december 1906 echter kochten zijn weduwe Anna Cornelia Dimphna Schonck en zijn zoons een groot aantal percelen bouwterrein!69). De zoons G.H. van der Sande en A.H.M. van der Sande kochten daarna op 16 augustus 1907 gezamenlijk nog een aantal percelen aan het Engelbert van Nassauplein. Hetzelfde deed J.A.J. van der Sande op 19 oktober van dat jaar. Op al deze percelen werden huizen gebouwd en in 1910 was de familie Van der Sande eigenaar van niet minder dan zestig pan­den, en nog een onbebouwd terrein op de hoek van de rivier de Mark. Iets later trad vooral de Ginnekense aannemer Johannes Segeren Corneliszoon op. Hij is grotendeels verantwoordelijk voor het zuidelijke deel van de Baronielaan. In 1903 bouwde hij hier zijn eerste pand, het huidige Baronielaan 324. In een periode van vijfjaar volgde een twintigtal huizen aan de westzijde, de huidige nummers 288-322. Na 1909 zette Segeren zijn bouwactiviteiten voort in het blok tussen de huidige Burgemeester Passtoorsstraat en Cartier van Disselstraat. In een periode van vijfjaar bouwde hij hier opnieuw twintig herenhuizen, de huidige nummers 251-289.



HUIZEN EN STIJLEN



           In een zeer korte tijd, van 1898 tot aan de Eerste Werelddoorlog, werd de gehele Boulevard of Baronielaan volgebouwd. Op het plattegrondje in het adresboekje van 1912 is te zien dat er toen al nauwelijks meer open plekken waren. De bebouwing draagt daardoor, ondanks de verscheidenheid in , architectonische vormgeving, een uniform karakter. Het merendeel bestaat uit woonhuizen van twee, soms drie lagen. Vrijstaande panden komen slechts zelden voor.



Spreekkamer en 'dienstbodenplé'

           Aan de binnenzijde van de huizen is natuurlijk in de loop der tijd het een en ander veranderd. De hal, het trappenhuis, de woonkamer en de serre hebben meestal hun functie behouden. Anders ligt dat met het spreekkamertje dat de grote herenhuizen naast de hal hadden. Vóór de Eerste Wereldoorlog kwamen vaak mensen aan huis: leveranciers die hun nota kwamen aanbieden, dames die een bijdrage kwamen vragen voor een goed doel, de geldophaler van het gasbedrijf, een loopjongen met een boodschap en vele anderen. Deze mensen werden in grote herenhuizen niet in de woonkamer toegelaten, maar ontvangen in het speciale spreekkamertje naast de voordeur. Tegenwoordig o. dil meestal bij de hal getrokken en doet het dienst als garderobe, Dc keuken, de w.c.'s en de badkamer zijn natuurlijk vaak verbouwd en aangepast aan de moderne tijd. Wat helemaal verdwenen is zijn de meidenkamers en de meidenplé. In de Woning-; van Soeter werd in 1906 een fraai herenhuis te huur aangeboden aan de Baronielaan met onder andere een ruime vestibule met een marmeren vloer en in de tuin een meidenplé. Op de tweede etage bevond zich een meidenkamer. In 1907 werd op de beste stand van de Baronielaan een ruim en fraai herenhuis te huur aangeboden, eveneens met een dienstbodenplé in de tuin In de pastorie naast de Heilig-Hartkerk bevinden zich op zolder nog de originele dienstbodenkamers. In de bijkeuken vinden we hier een w.c., die ongetwijfeld voor het personeel bedoeld was.



De hoekpanden

           Extra aandacht werd besteed aan de beide hoekpanden die de ingang van de nieuwe weg moesten markeren. De bouwgrondmaatschappij werd geïnspireerd door voorbeelden in Den Haag, zoals Duinoord. De ingang van de Wilhelminastraat vanaf de brug werd reeds gemarkeerd door twee hoektorentjes. In 1889 was hier aan de rechterkant een huis gebouwd met een • forse hoektoren en in 1893 bouwde de architect J.M. Marijnen het hoge pand met het ranke torentje aan de overzijde l75. De Nieuwe Bredasche Courant van 1 januari 1898 meldt dat in een vergadering van de maatschappij was besloten dat eerlang aan den injanj van de Nieuwen Boulevard twee zeer fraaie hoekhuizen zullen gebouwd worden. Zoodoende is men verzekerd wederom een mooi stadsgezicht te krijgen. Op 11 maart kon nog worden bericht dat de twee voorste percelen aan de Nieuwe Boulevard gereserveerd (blijven) voor twee hoekhuizen, naar een plan door de Maatschappij zelve vasgesteid. Pas op 2 oktober 1898 kon de krant melden dat het perceel grond op de hoek van de Nieuwe Boulevard verkocht was aan mejuffrouw de weduwe Bielars. Daar zal een fraai en kolossaal heerenhuis verrijzen, met de architectuur waarvan belast is de heer Nieraad te Arnhem, naar men weet een der directeuren der Bredasche Bouwgrond-maatschappij. In het nummer van 5 oktober moest de krant dit corrigeren. Inderdaad waren door de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij aanvankelijk ontwerpen vastgesteld voor de huizen die de entree zouden vormen van de Boulevard, getekend door Nieraad, maar in tweede instantie werd het ontwerp overgelaten aan een architect die door de koper aangewezen zou worden. Vandaar waarschijnlijk dat de twee hoekpanden wel op elkaar lijken, maar niet identiek zijn. Op 14 januari 1899 verkocht de bouwgrondmaatschappij voor notaris Verheggen het perceel bouwterrein op de hoek van de Wilhelminastraat en de Boulevard aan de weduwe Bielars. De maatschappij stelde aan de koper een aantal bijzondere voorwaarden. Op het terrein moest een hoekhuis gebouwd worden langs de Wilhelminastraat. De gevels mochten van geen mindere waarde zijn dan die van het hoekhuis van de heer Marijnen op de hoek van de Wilhelminastraat en de Wilheminasingel, en de hoek van het pand moest worden afgeschuind. De bouw tekening was reeds goedgekeurd door de maatschappij. Op 15 mei 1899 werd de tekening van het huidige pand Wilheminastraat 52 goedgekeurd door Burgemeester en Wethouders van Teteringen. Een jaar later was het pand gereed en het Dagblad van Noord-Brabant van 9 maart 1900 wijdde er een enthousiast artikel aan. Vooral in den laatsten tijd is onze gemeente rijk geworden aan gebouwen, welke veel tot hare verfraaiing bijdragen. (...) (Met trots kan gewezen worden op) het bijna voltooide hoekhuis, staande rechts aan den ingang van den Boulevard. Hoe statig richt het zich op uit den grond, hoe keurig zijn voor- en zijgevel, zoowel wat verdeeling als wat afwerking betreft, hoe fors en slank verheft zich het prachtige hoektorentje. (...) Kosten noch moeiten zijn gespaard, om het geheel een waardige entree te doen vormen voor den ingang van den Boulevard. Het nieuwe pand was ontworpen door de nog jeugdige architect en aannemer L. Bielars. (Wij) hopen, dat onder zijne leiding nog vele gebouwen mogen opgetrokken worden, welke, evenals dit, Breda tot sieraad zullen strekken. Merkwaardig genoeg zijn van deze architect geen andere panden bekend in Breda. Ook daar tegenover zou een dergelijk pand gebouwd worden. Op 15 mei 1900 verkocht de Bredasche BouwgrondMaatschappij het perceel op de hoek van de Boulevard en de Ginnekenweg aan de aannemer Gijsbertus van der Sande. Aan dit hoekpand werden dezelfde eisen gesteld als aan het pand van de weduwe Bielars. De bouw van het hoekhuis moest begonnen worden vóór 1 januari 1901 en zes maanden daarna moest het voltooid zijn. Op 2 april 1900 reeds was de tekening goedgekeurd door de gemeente Teteringen. De bouwtekening vermeldt geen architect. De afgeschuinde hoeken en de hoektorentjes van rond de eeuwwisseling konden in de ogen van een latere generatie geen genade meer vinden. Herman van der Kloot Meijburg bijvoorbeeld foeterde in 1917 in zijn toonaangevende boek Bouwkunst in de stad en op het land op de afgeronde en afgeschuinde hoeken. Deze waren nergens voor nodig en de kans dat voorbijgangers in wilde haast op een straathoek tegen elkaar opbotsten was volgens hem toch vrij gering. Groot is het aantal ongerechtigheden, dat bij het moeilijke vraagstuk van hoekoplossingen wordt tentoongespreid. Vooral de schijntorens zijn een zeer geliefd motief en komen bij straatkruisingen dikwijls op alle vier de hoeken voor. Hij maakt ze belachelijk met woorden als schijnconstructies, slecht ingedeelde gevels, topzware torens en doelloze spitsjes.





De hoekpanden langs de rivier de Mark

           De Bredasche Bouwgrond-Maatschappij besteedde niet alleen bijzondere aandacht aan de hoekpanden aan de Wilhelminastraat, maar ook aan de panden die zouden komen te grenzen aan de rivier de Mark. Deze panden zouden door hun ligging erg in het oog lopen en het beeld van dit gedeelte van de Baronielaan sterk bepalen. Het pand Baronielaan 172 is het enige van de vier gedachte hoekpanden dat nog steeds bestaat. Het is voorzien van twee hoofdgevels, één aan de zijde van de weg en één aan de zijde van de Mark. De geveltop is uitgevoerd in vakwerk. Van het huis is helaas geen bouwtekening bewaard gebleven. De huurpanden 168-170 zijn in 1908 gebouwd door de aannemer Frans Beekers, die ook eigenaar was van het hoekpand. Dit pand zal daarom van dezelfde tijd dateren en eveneens door Beekers ontworpen zijn. Aan de andere zijde van de rivier de Mark lag aan de westzijde van de weg een imposante villa. De bouwgrond hiervoor was op 28 april 1906 verkocht aan Josephina Maria Carolina Theodora Hamilton, douarière van de Hoogwelgeboren heer Jonkheer Henri Balthazar Rudolf Joseph Alois Marie Bosch van Drakestein. Zij bouwde hier een villa die meer weg had van een klein kasteel: geveltoppen, uitgevoerd in vakwerk, een hoektorentje, daken gedekt met leien, rode gevels met geel siermetselwerk en een veranda aan de zijde van de Mark. Het pand was ontworpen door J.M. Marijnen. Later stond dit pand bekend als hotel-restaurant Pension De Mark en nog later als Rusthuis De Mark. In 1940 werd het gesloopt voor de aanleg van de Zuidelijke Rondweg. Het perceel ten noord-oosten van de Markbrug werd op 4 december 1906 voor notaris Temminck verkocht aan de kamer-behanger A.A. Bongenaar, met als bijzondere voorwaarde dat de opstal van het hoekpand in villavorm moest worden gemaakt Pas in 1928 werden hier de twee panden onder één dak gebouwd die nog steeds langs de rivier de Mark staan, uiteraard niet gebouwd in de stijl die de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij voor ogen stond. Op dezelfde datum werd voor notaris Verschraage het perceel aan de zuid-oostzijde van de brug verkocht aan de weduwe van G. van der Sande Ook in deze akte wordt de bijzondere voorwaarde gesteld dat het hoekhuis (...) zal moeten worden ópgetrokken in villastijl, zullende de teekening van de op dat perceel te stichten gebouwen door Directeuren der Bredasche Bouwgrond Maatschappij moeten worden goedgekeurd, alvorens met de bouw mag worden aangevangen. Er is op deze plaats overigens nooit een huis gebouwd. In 1928 werd het perceel gekocht door de gemeente Breda in verband met de aanleg van de Zuidelijke Rondweg.



De villa van Jonkvrouwe Bloijs van Treslong

           Tegenover het Mastbos, op de hoek van de Duivelsbruglaan, werd eveneens een aanzienlijke villa gebouwd, zij het dat de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij de koper daar niet toe verplicht had. Het perceel werd op 28 april 1902 verkocht aan Gijsbertus van der Sande. De enige voorwaarde die gesteld werd, was dat de rooilijn van het huis geplaatst moet worden in de rooilijn van Hotel Dennenoord. In 1904 verkocht Van der Sande een gedeelte van dit terrein weer aan Jonkvrouwe Elisabeth Henrica Blokhuis van Treslong die er de huidige villa met toren bouwde Op 10 augustus 1902 werd het perceel bouwterrein op de hoek van de huidige Willem van Oranjelaan verkocht aan A.W. Vermeulen, weduwe Chamot Ook aan dit hoekpand werden geen bijzondere voorwaarden gesteld.





text-start">De zwitserse huizen

't Is aardig op te merken hoeveel verschillende bouwstijlen men hier vertegenwoordigd ziet, de Zwitsersche schijnt wel het meest in den smaak te vallen, zegt Herman de Ruiter in 1907 over de Baronielaan. Hij duidt hier op de huizen in hout- en vakwerkbouw.



Hout- en vakwerkbouw

           In de middeleeuwen werden veel boerderijen en stadswoningen gebouwd in vakwerkbouw. Het huis bestond uit een geraamte van balken, dat opgevuld werd met wanden van vlechtwerk, bestreken met leem, of van baksteen. Op het platteland waren dit soort huizen in de negentiende eeuw nog te vinden, in Engeland onder andere in Cheshire en Shropshire en in Kent en Sussex. In de vorige eeuw werd de vakwerkbouw in Engeland populair als bouwstijl voor villa's Deze architectuur werd beschouwd als een typisch Engelse bouwtrant en werd geassocieerd met platteland en een natuurlijke omgeving. Het vakwerk van duurdere huizen bestond in Engeland nog wel uit massieve balken, maar in goedkopere huizen werd vakwerk geïmiteerd met planken die op een bakstenen muur gespijkerd werden, waarna de tussenruimte gestuct werd. Ook in Duitsland inspireerde men zich op de traditionele vakwerkbouw, zoals die daar nog gevonden werd in de Harz en aan de Rijn, maar vooral in Zwitserland en Tirol. Hout- en vakwerkbouw was ook populair voor kleine gebouwtjes, zoals wachthuisjes voor de tram, tuinhuisjes, tribunes enzovoorts



           Een goed voorbeeld is het pand Baronielaan 34 met zijn overstekende dakrand met houtsnijwerk, balkon en hoektorentje. Het pand toont treffende overeenkomst met het Panorama des Alpes op de Wereldtentoonstelling van 1894 in Antwerpen Het betreft hier het oudste pand aan de Baronielaan, dat van Jan Adam Tyken, eerste luitenant der infanterie Van het pand is helaas geen bouwtekening bewaard gebleven. We weten echter wèl wie de architect is, want op 17 augustus 1898 besteedde, volgens een advertentie in de Nieuwe Bredasche Courant de architect J.M. Marijnen de bouw aan van een villa aan de nieuwe Boulevard onder Teteringen, waarmee alleen maar dit pand bedoeld kan zijn Het pand Baronielaan 34 bezit enkele uiterlijke kenmerken die typisch zijn voor Marijnen, onder andere de platen boven de ramen, boogtrommels met veelkleurig metselwerk, de kleine muurankers, en een hoektorentje. Vergelijk deze kenmerken bijvoorbeeld met die van het hoekpand Tolbrugstraat Nieuwe Weg en de panden van Coothplein

Architect J.M. Marijnen

           Marijnen was een van de meest productieve architecten in Breda rond de eeuwwisseling. Tot nu toe moeten we een goede biografie van deze vakman ontberen. Johannes Michael Marijnen werd in Breda geboren in 1851. Zijn vader, Comelis Jacobus Marijnen was aannemer. Van 1870 tot 1875 volgde hij een opleiding in Antwerpen. Zijn verdere leven heeft hij in Breda doorgebracht. Sinds 1891 woonde hij in het huis Wilhelminastraat 5, dat door hem zelf ontworpen was. Hij overleed in 1922 ten gevolge van een ongeval en werd begraven vanuit de Heilig Hartkerk



Engelse buitenhuizen

           Een belangrijk en beeldbepalend element aan de Baronielaan vormt het pand 16-18, waarin tegenwoordig het Riagg gehuisvest is. Deze panden zijn een voorbeeld van het type huizen dat de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij graag aan de nieuwe Boulevard gebouwd zag worden. Soeter heeft zich met de verkoop van deze huizen belast en de pers besteedde er uitgebreid aandacht aan. Oorspronkelijk was dit een blokje van drie herenhuizen. De bouwtekening voor deze panden werd goedgekeurd door Burgemeester en Wethouders van Teteringen op 11 juli 1898. De huizen werden ontworpen en voor eigen rekening gebouwd door de architect A. van der Lee. In augustus 1898 werd begonnen met de bouw. De huizen trokken landelijk de aandacht. Op 9 juli 1898 verscheen over deze drie herenhuizen een artikel in het Bouwkundig Weekblad. De voorgevels zullen worden ópgetrokken van kleurig hardgrauw met toepassing van gelen siersteen; het houtwerk van den erker en topgevels zal in krachtige kleuren geschilderd en de daken aan de voorzijde zullen met roode kruispannen belegd worden. Pas op 5 augustus 1898 werd voor notaris Vorstman het definitieve koopcontract getekend Van der Lee kocht hierbij twee percelen bouwterrein. Ook op het tweede perceel bouwde Van der Lee een blok van drie herenhuizen, de huidige nummers 28-32. De bouwtekening hiervan werd goedgekeurd op 4 april 1899



Architect J.A. van Dongen

           Johannes Adrianus van Dongen is geboren in Breda in 1866. In 1888 vertrok hij naar Antwerpen, waarschijnlijk om daar, net als Marijnen, een opleiding te volgen. Van Dongen was ten opzichte van Marijnen van een jongere generatie. Hij heeft gebouwd in art-nouveaustijl en na de Eerste Wereldoorlog bouwde hij in de toen geldende stijlen. In 1902 richtte hij samen met de kunstenaar Bart Klunne aan de Grote Markt een winkel in kunstnijverheidsartikelen op. Hiermee werd de art-nouveau in Breda geïntroduceerd. Een van de grootste en meest representieve Op 22 april 1899 besteedde Van der Lee de bouw van deze drie woonhuizen aan. In mei 1899 maakte Van der Lee door middel van een advertentie reclame voor zijn herenhuizen: Heerenhuizen met tuin, aan den Nieuwen Boulevard (...), modern ingericht, (...), electr. schellen in alle Kamers, Waterclosets enz., eigen Waterleiding, groote Regenbakken en goed Welwater. Dagelijks te bezichtigen en te bevragen aan het kantoor van G. Soeter en Co., ook bij den eigenaar A. van der Lee, Architect, Ginnekenstraat 15 Op uitnodiging van Van der Lee ging een journalist van de Nieuwe Bredasche Courant een kijkje nem en. Het artikel ademt helemaal de sfeer van het wonen in een rustige, gezonde buitenwijk, bijna één met de natuur. De huizen, opgetrokken in de geest van Engelse buitenhuizen waren voor Breda iets geheel nieuws. Van binnen waren de huizen geriefelijk ingericht met helder verlichte kamers en grote openslaande ramen die stromen verse lucht binnen brachten. Langs alle zijden had men heerlijke vergezichten. De gasleiding was reeds aangebracht, maar gas ontbrak voorlopig nog. Er was ook nog geen waterleiding aanwezig en daarom waren de huizen voorzien van eigen waterleiding: een grote vergaarbak, die door een perspomp werd Ook verderop op de Baronielaan is een aantal panden gebouwd in vakwerkstijl. Een mooi voorbeeld vormen de huizen 68 en 70. Nummer 68 heeft een gevelsteen waarop staat 'Zijt verblyt so lang g'er zyt' en op de steen van nummer 70 staat 'Wij komen en gaan'. De panden zijn ontworpen door de architect J.A. van Dongen in 1905



           panden die door Van Dongen zijn ontworpen, is de kliniek van dokter Struijcken op de hoek van de Wilhelminasingel en de Vijverstraat, gebouwd in 1905. Het karakter van het gebouw wordt bepaald door topgevels met vakwerk, overstekende dakranden en ramen met kleine ruitjes. Hij overleed in Breda in 1934. In het In Memoriam in de krant wordt er de aandacht op gevestigd dat Van Dongen enkele kerken heeft gebouwd. Maar vooral op villa- en huizenbouw heeft de heer Van Dongen zich toegelegd. Wij noemen b.v. eenige huizen op de Baronielaan, die tot de beste en smaakvolste van dit kwartier behooren



De drie dubbele villa's van de Villa Bouwm aatschappij M astbosch

           Verderop staan drie dubbele villa's met de huisnummers 223-225, 227-229 en 231-233. Deze zijn ontworpen door architect Nieraad ten behoeve van de Villa Bouwmaatschappij Mastbosch. Samen met de panden Baronielaan 16-18 moeten we deze panden beschouwen als het ideaaltype dat de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij voor ogen stond. De panden zullen eind 1904, begin 1905 zijn gebouwd. Ook hier zien we weer de vakwerkbouw, de overstekende dakranden en de ramen met kleine ruitjes. In 1905 werden de nieuwe villa's te huur aangeboden: In de onmiddelijke nabijheid der bosschen, aan paardentram te huur: Villa's voorzien van gas- en waterl., alles ingericht naar de eischen des tijds. Huurprijs zeer billijk



Het eclecticisme

           In de tijd dat de Baronielaan werd aangelegd, waren verschillende stijlen in de mode. Een van de stijlen die op dat moment eigenlijk alweer op hun retour waren, was het eclecticisme. Vooral aan het begin van de Baronielaan zijn links en rechts de meeste panden in deze stijl gebouwd. Het was in feite een combinatie van allerlei voorgaande stijlen. Elementen uit het classicisme, de renaissance en uit andere stijlen werden samengevoegd tot een nieuw harmonieus geheel. De bakstenen gevels van deze huizen worden opgesierd door witgeschilderde stucbanden, boogtrommels en stucwerk-ele-menten. Aan de bovenzijde worden de gevels meestal afgesloten door een rechte lijst. Een goed voorbeeld van deze stijl is Baronielaan nummer 7, het huis De Geraniums. Het pand is in 1901 gebouwd door de aannemer G. van der Sande, die er daarna zelf ging wonen. De tekening vermeldt helaas geen architect. Het pand vertoont grote overeenkomst met het herenhuis Wilhelminasingel 3, eveneens gebouwd door Van der Sande. Een mooi voorbeeld vormen ook de herenhuizen 80-98. Deze tien herenhuizen zijn als één bouwplan gezet in 1903 door de aannemer A.P. Mol. Alle huizen hebben verschillende voorgevels, maar de hoogte van de vloeren en de structuur van het dak, en niet te vergeten het ijzeren hekje langs het voortuintje, verraden dat de rij huizen inderdaad als één geheel is gebouwd. Ook dit is kenmerkend voor deze tijd: saaiheid moet zoveel mogelijk worden vermeden, afwisseling in gevels en straatwanden is belangrijk. De gids Breda en omstreken in woord en beeld uit 1897 zegt het al. Oneindig lange straten, met huizen onder één gevel, smakeloos van bouw, alsof zij waren opgezet uit een Neurenburger speelgoeddoos, zooals men b.v. vindt in de Haagsche zeeheldenbuurt, vindt men niet bij ons.



Villa Merula

           Aan de Baronielaan zijn weinig villa's gebouwd, alhoewel de verwachtingen wat dit betreft hoog gespannen waren. In het artikel in de Bredasche Courant van 24 juni 1897 naar aanleiding van de plannen de Baronielaan aan te leggen wordt gesproken van een groot aantal villa's en hoerenhuizen, dat aan de nieuwe boulevard gebouwd zou gaan worden. Al in de Nieuwe Bredasche Courant van 25 december 1898 wordt geconstateerd dat er m in­der villa's werden gebouwd dan men gehoopt had. Ronduit gezegd voldoen nu juist niet alle huizen aan onze misschien wat te 1100,0 gestelde verwachtingen, ofschoon zij toch wel aanspraak kunnen maken op mooi en ruim te zijn. Maar wie weet of niet spoedig hier en daar een villa - in den waren zin van het woord - zal verrijzen. Dat zou voor het oog een aangenaam rustpunt vormen. In 1906 diende de weduwe G. van der Sande een plan in voor een villa aan de Baronielaan, de huidige 'Villa Merula', Baronielaan 102. Dit pand moet gerekend worden tot de Lodewijk XVI- stijl. De gevel is a-symmetrisch. Pilasters met kapitelen in reuzenorde over twee bouwlagen delen de gevel in, terwijl het frontonmotiefen de dakkapellen niet ontbreken. In de decoratie zien we de karakteristieke bloemslingers (of guirlandes) boven de deuren en de vensters. De villa vertoont grote overeenkomsten met de villa Wilhelminapark 14 in Venlo. Deze is gebouwd in 1909 voor de Bredase familie Klep-van Siebergen en ontworpen door de architect J.A.J. van der Sande uit Breda, een van de zoons van de weduwe Van der Sande. Deze Van der Sande zal dan ook 'Villa Merula' ontworpen hebben. De weduwe Van der Sande verhuurde het pand met ingang van december 1907 aan de advocaat en procureur Mr. Ch.L.H. Sassen. Pas in 1918 verkocht zij het pand aan haar huurder.



Villa Trianon

           De grootste en meest imposante villa aan de Baronielaan, en misschien wel in Breda, is 'Villa Trianon', Baronielaan 228. Op 30 december 1908 kocht W.J. Verschure van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij een perceel van veertig meter breed. In maart 1910 kon hij zijn nieuwe villa betrekken. Aanvankelijk droeg deze de naam 'Mon Repos'. De bouwte­kening is niet bewaard gebleven, zodat ook hier de architect onbekend is. Verschure was eigenaar van de margarinefabriek 'Johs. M. Verschure & Zoon' in Oosterhout, met vestigingen in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Antwerpen, Londen en Dundee. Tevoren woonde Verschure in Antwerpen, waar hij de inspiratie voor zijn villa opgedaan zal hebben. Ook deze villa is ontworpen in Lodewijk XVI-stijl, maar dan in de protserige variant daarvan. Kenmerkend zijn de gepleisterde gevels en classicistische architectuurdetails in de vorm van zuilenportieken, ballustrades en pilasters. Het totaaleffect is dat van een kasteelachtige architectuur. Deze stijl was erg in trek bij fabrikanten, eigenaren van rubber-plantages in Indië en andere leden van de nieuwe upper middle class. Zelfbewust etaleerden zij hun nieuw verworven rijkdom. De kastelen en landhuizen van Amerikaaansespoorweg- en oliebaronnen waren door geïllustreerde tijdschriften overal bekend en dienden als voorbeeld. J.C. Raming, eigenaar van het bekende grootwinkelbedrijf van die naam, bouwde omstreeks 1910 aan de Ulvenhoutselaan een nieuwe villa op de plaats van het oude buiten 'Mon Plaisir', terwijl de directeur van de suikerfabriek in Breda, C.M. Asselbergs, in dezelfde stijl even na 1918 aan de huidige Burgemeester Kerstenslaan de villa liet bouwen die tegenwoordig bekend staat als 'White House'



Art-Nouveau

           Rond 1900 kwam in Europa een nieuwe stijl op: de art-nou- veau. Alle bouwstijlen tot dan toe waren geïnspireerd op het verleden: néo-gotiek, neo-renaissance, classicisme en mengvormen daarvan. Aan het einde van de negentiende eeuw trad blijkbaar een vermoeidheid op en ging men op zoek naar nieuwe vormen. Men vond die in de natuur: gestileerde bloem- en bladmotieven en zweepslagmotieven gingen het uiterlijk van de nieuwe ontwerpen bepalen. Kenmerkend voor de bouwstijl is de toepassing van alle moderne bouwmaterialen die men op dat moment ter beschikking had: verschillende kleuren baksteen, gekleurd glas, veelkleurige tegels en ijzer De nieuwe bouwstijl ontstond in België en sloeg vandaar over naar Frankrijk. In Brussel en Antwerpen werden soms hele straatwanden opgetrokken in deze stijl. In Nederland is art-nouveau in zijn uitbundige vorm bepaald zeldzaam, maar in een wat minder extreme vorm komt hij vrij veel voor 1,2 Den Haag is daarvan een goed voorbeeld. Aan de Baronielaan treffen we opvallend veel art-nouveauhuizen aan van de wat rustige, "Haagse" soort. In 1908 werd in de Woninggids van Soeter een advertentie geplaatst waarin drie herenhuizen aan de Baronielaan te huur of te koop werden aangeboden. De huizen zijn soliede en in modernen stijl gebouwd. Veel van deze art-nouveau-huizen waren voorzien van pinakels, balustraden, torentjes en loze topgevels. Een groot deel van deze elementen is gesneuveld in een zware novemberstorm in 1921. Eén van de eerste huizen aan de rechterkant die in art-nouveau uitgevoerd is is het huisnummer 58. Het is opgetrokken in baksteen van afwijkende kleur. De gevel is a-symmetrisch en de erker en het balkon zijn typisch voor de art-nouveau. Het pand is gebouwd in 1905 door de aannemer Chr. Beekers. Op de tekening staat geen architect vermeld. Waarschijnlijk heeft Beekers het pand zelfontworpen. Aan de linkerzijde vinden we de eerste art-nouveaupanden op de nummers 89-91-93. Nummer 93 is een van de mooiste panden in art-nouveaustijl aan de Baronielaan. De voorgevel is uitgevoerd in gele baksteen met banden in contrasterende kleuren en heeft ramen met gekleurd glas. De ingangspartij is voorzien van een hoefijzerboog. Op de tweede verdieping treffen wij een loggia aan, eveneens voorzien van een hoefijzerboog. Het drietal is in eigen beheer gebouwd in 1907 door de architect A.N. van Rijn. Deze mag wel gelden als een art- nouveauarchitect bij uitstek. Helaas is naar hem nog geen uitputtend onderzoek verricht. Het zuidelijke gedeelte van de Baronielaan is nagenoeg helemaal volgebouwd door de aannemer Segeren De huizen die hij bouwde aan de westzijde kunnen wij herkennen aan de gele en oranje baksteen, de loggia's, de balkonnetjes en de bogen boven de ramen. Elke gevel is weer anders. Het huis nummer 292 is voorzien van het jaartal 1907. Waarschijnlijk geldt dit jaartal voor de hele rij. Ook aan de oostzijde ontwierp Segeren een aantal huizen in neo-stijl met barokke architectuurkenmerken. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was de Baronielaan goeddeels volgebouwd. We treffen dan ook maar weinig panden aan van latere bouwstijlen. Een opvallend pand is dan ook nummer 136, aan het begin van het Engelbert van Nassauplcin, dat is uitgevoerd in art deco. Het werd gebouwd in 1916 en is ontworpen door de architect L. Schoonenburg



De voortuintjes

           De tuintjes voor de huizen maken een essentieel deel uit van het aanzicht van de Baronielaan. Toen de weg nog een middenpad had en de rijbanen smaller waren, vielen ze nog meer op. Krachtens de erfdienstbaarheden was het verboden in de voortuintjes opgaaande bomen te plaatsen. Op oude foto's zullen we die dan ook niet ontdekken. Tegenwoordig wordt daar minder de hand aan gehouden. De ijzeren hekjes zijn een nadere beschouwing waard. Vele ervan vertonen de typische zweepslagvormen van de art-nou-veau. Een ouderdom van bijna honderd jaar heeft hier en daar zijn sporen nagelaten. De meeste hekjes zijn echter goed onderhouden. Jo Ufkes beschrijft in haar meisjesboek Een vroolijke Frans een avond in de voortuintjes van de Koninginnestraat in het begin van deze eeuw. 't Was een heerlijke zoele avond. De geheele familie Voorberg zat voor het huis thee te drinken. Overal in de Koninginnestraat zag men theelichtjes, brandende sigaren, waarvan de nu welkome rook de muggen moest verjagen. Men hoorde gepraat en gelach, niet luidruchtig, 't Was alsof de stille, mooie avond de menschen dwong hun stemmen te dempen. Langzaam slenterden eenigen op en neer, hier en daar een buurpraatje makend (...). De sfeer zal in de Baronielaan in deze tijd niet anders geweest zijn.



EEN ELEKTRISCHE TRAM OP DE NIEUWE BOULEVARD?

           Het concept van de Boulevard omvatte onder andere de aanleg van een elektrische tramlijn. De midddenklasse die zich aan de Nieuwe Boulevard moest gaan vestigen, beschikte over voldoende geld om zich hier een huis te kopen ofte huren, maar was niet zó welvarend dat zij zich een paard en een rijtuig kon permitteren. De afstand tot de binnenstad was te groot om te lopen. Er moest dus een vervoermiddel worden aangeboden, anders was de bouwgrond langs de Nieuwe Boulevard niet te exploiteren. Toch heeft over de Baronielaan nooit een elektrische tram gereden.



Een elektrische tram naar Hoogstraten

           Hoogstraten werd al sinds 1885 ontsloten door een tramver-binding in de richting van Turnhout en Antwerpen De Antwerpsche Maatschappij voor den Dienst van Buurtspoorwegen had plannen deze tram lijn te verlengen en via Meerlé en Meersel-Dreef in Rijsbergen aan te sluiten op de tram lijn van Antwerpen via Zundert en Rijsbergen naar Breda. De Belgische Staat gaf hiervoor op 16 juni 1897 toestemming. In de Nieuwe Bredasche Courant van 8 februari 1899 vinden we echter een berichtje dat door een consortium concessie was aangevraagd tot aanleg van een elektrische tram vanaf Hoogstraten langs Meersel-Dreef over Galder, de Nieuwe Boulevard en het Wilhelminapark naar het station. Op 18 februari 1899 deelde de ons bekende bankier E.L.A. Penn aan de Bredase gemeenteraad mee dat hij een elektrische tram lijn wilde aanleggen vanaf het station door de Willemstraat langs de buitensingels en door het Wilhelminapark naar de Nieuwe Boulevard en zo verder langs de weg naar Galder naar de Belgische grens. Tevens vroeg hij toestemming om over de rails van de reeds bestaande paardentram van de Ginnekensche Tramweg Maatschappij een elektrische stadstram te laten lopen, in aansluiting op deze interlokale lijn.



Accu's of trolley s

           De elektrische tram hield de gemoederen in Breda sterk bezig. Op 17 maart 1899 hield een zekere Dr. Bleekrode een voordracht over elektrische trekkracht in de afdelingsvergadering van de Maatschappij van Nijverheid in Breda. In zijn lezing betoonde Bleekrode zich een voorstander van elektrische trams die op accu's zouden rijden. Hij verzette zich tegen elektrische draden boven de weg en elektrische trams met trolleys, voornamelijk op grond van berichten uit Amerika. Daar bestonden al veel elektrische tram netten, die echter niet altijd zorgvuldig aangelegd waren en daarom voor nogal wat ongelukken zorgden. In verband met de plannen voor elektrische tram lijnen in Breda werd de lezing bijgewoond door vele plaatselijke autoriteiten. Tegen de denkbeelden van Bleekrode werd onmiddellijk stelling genomen door André Meeuwesen, directeur van het Bredase Electrotechnisch Bureau Rogier, Smagghe en Cie Meeuwesen ontkrachtte de argumenten van Bleekrode. Mocht dan ook bij de bestendige vooruitgang van onze stad een electrisch tramverkeer waarvan naar ik verneem reeds ernstig sprake is] hier ter stede worden ingevoerd dan hoopte Meeuwesen dat een goedkoop en zeker werkend trolley stelsel (zal) worden toegepast. De eerste poging om over de Nieuwe Boulevard een elektrische tram te laten lopen eindigde echter teleurstellend. Op 29 juli 1899 moest Penn aan de gemeenteraad meedelen dat hij zijn aanvrage voor een concessie voor een elektrische tram introk, aangezien de gemeenteraad van Ginneken niet wilde meewerken. De verbinding tussen Meersel-Dreefen Breda kwam overigens wel tot stand, zij het dan volgens de oorspronkelijke plannen. Op 20 maart 1899 kwam de lijn Hoogstraten-Meerle in exploitatie en op 1 september van dat jaar reed de stoomtram via Meersel-Dreef door naar Rijsbergen



Beversen en Van Heurn

           Het tweede consortium dat probeerde een elektrische tramlijn tot stand te brengen bestond uit de heren N.J. Beversen en J. van Heurn, ingenieurs te 's-Gravenhage. Dit waren niet de eersten de besten. In 1899 hadden zij al concessie verkregen voor de aanleg van een elektrische lokaalspoorweg van Rotterdam naar Den Haag en Scheveningen In 1900 werd door hen de Zuid-Hollandsche Electrische Spoorwegmaatschappij opgericht en in 1908 werd de zogenaamde Hofpleinlijn geopend. De motorrijtuigen hiervan hadden een Amerikaans uiterlijk. Op 28 oktober 1899 verzochten Beversen en Van Heurn de gemeenteraad vergunning voor de aanleg van een elektrische tramweg van Breda over de Boulevard naar het Mastbos en van Breda langs de huidige Tilburgseweg naar Tilburg. Eigenaars van fabrieken in Tilburg zouden zich in Breda kunnen vestigen aan de rand van het Mastbos waar grond ter beschikking was voor de bouw van villa's. De spoorwijdte zou, net als de overige tramwegen rond Breda, 1067 mm zijn. Vanaf het station zou de tram lijn over de buitensingel en het Wilhelminapark naar de Nieuwe Boulevard lopen. Deze aanvrage gaf in de gemeenteraad aanleiding tot uitvoerige discussies over voor- en nadelen van het trolleysysteem. Men was bang voor draadbreuk en men had esthetische bezwaren tegen de palen waaraan de bovenleiding zou worden bevestigd. Op 24 maart 1900 echter werd de concessie aan Beversen en Van Heurn verleend. Elders in Nederland hadden dit soort plannen meer succes. Op 15 mei 1899 reed de eerste elektrische tram van Haarlem naar Zandvoort. Deze werd geëxploiteerd door de Eerste Nederlandsche Electrische Tram-Maatschappij, een maatschappij die was opgericht door de exploitanten van het villapark Aerdenhout.



De Eerste Nederlandsche Gastractie-Maatschappij

           Een elektrische tram vereist een grote investering in bovenleiding en installaties. Voordeel is dat er met kleine eenheden frequent kan worden gereden. Een stoomtram stelde minder eisen aan de infrastructuur, maar de eenheden waarmee gereden werd, waren soms te groot. Een stoomtramlocomotief kwam in de expoitatie alleen tot zijn recht als hij een trein van twee of drie rijtuigen trok. Een paardentram was goedkoop en er kon een frequente dienst met kleine eenheden mee worden gereden. Nadeel was weer dat de actieradius hiervan beperkt was. Er was dus behoefte aan een soort tram die bestond uit kleine eenheden, sneller was dan een paardentram, maar zonder de dure infrastructuur van een elektrische tram. In 1898 dacht men de oplossing gevonden te hebben in de gasmotortram. Op 15 januari 1898 dienden H. Slegers, D. Bas en F. van den Assem te Amsterdam bij de gemeenteraad een aanvraag in voor een gastram van Breda naar Ginneken en verder naar Baarle-Nassau, Turnhout en Antwerpen Op 27 augustus werd dit adres vervangen door een adres van de N.V. Eerste Nederlandsche Gastractie-Maatschappij te Amsterdam. Deze tramlijn moest over de Nieuwe Boulevard gaan lopen De Eerste Nederlandsche Gastractie-Maatschappij heeft het echter nooit verder gebracht dan proefritten op het stoomtramtraject Den Haag-Loosduinen. De techniek was nog in een experimenteel stadium en niet geschikt voor exploitatie. Later werden benzo- en dieselmotortrams ontwikkeld die veel beter voldeden en het experiment met de gasmotortram bleek een doodlopende weg te zijn geweest.



Een automobielendienst

           De nieuwe Boulevard had blijkbaar een grote aantrekkingskracht op lieden die nieuwe technieken wilden uitproberen. Op 7 december 1898 verscheen het eerste berichtje in de krant over de oprichting van een automobielendienst tussen Breda en Ginneken, een autobusdienst zouden wij tegenwoordig zeggenl Op 2 i december 1898 werd bekend dat behalve plannen voor een tramlijn en een automobielendienst, er ook plannen bestonden voor een omnibusdienst. Omnibussen werden getrokken door paarden. Begin 1899 werd een Naamloze Vennootschap tot Exploitatie van Automobielen opgericht. De maatschappij was van plan vier grote omnibussen of autocars aan te schaffen en daarmee twee lijnen te gaan exploiteren (een via de Ginnekenweg en een via de Nieuwe Boulevard) die elkaar weer zouden ontmoeten bij het Mastbos. Ook deze plannen zijn niet tot uitvoering gekomen.



De Tramweg-Maatschappij Breda-Mastbosch

           Alle plannen ten spijt is er op de Boulevard slechts een bescheiden paardentram gerealiseerd. De eerste poging daartoe was reeds ondernomen door M.A. Kuitenbrouwer, de directeur van de Ginnekensche Tramweg Maatschappij, de GTM. Op 24 april 1897, dus nog vóór dat de definitieve plannen voor de aanleg van de Boulevard bekend waren gemaakt, verzocht hij rails te mogen aanleggen op de nieuwe straat vanaf de Wilhelminastraat naar het Mastbos. Op 22 mei 1897 werd hem concessie verleend. Kuitenbrouwer stelde echter eisen die voor de Bouwgrond-Maatschappij te bezwarend waren en de Ginnekensche Tramweg Maatschappij zou niet over de Nieuwe Boulevard gaan rijden. Op 11 november 1899 vroeg de particulier Ernest de Bruijne aan de gemeenteraad concessie voor de aanleg van een paardentram vanaf Hotel Mastbosch over de nieuwe Boulevard naar het station. Op 24 februari 1900 probeerde Kuijtenbrouwer alsnog concessie te verkrijgen, maar zonder resultaat. Op 24 maart 1900 werd de gevraagde concessie verleend aan De Bruijne, maar alleen maar van de Boulevard tot aan het Van Coothplein. Deze concessie zou aflopen in 1913. Op 4 juli 1901 werd het eerste gedeelte van de nieuwe tramlijn geopend in aanwezigheid van onder andere burgemeester Verdaasdonk van Teteringen, de heer G. Soeter, concurrent Kuytenbrouwer en de heer Van Wessem, ingenieur en administrateur van de Zuid-Nederlandsche Stoomtramweg- Maatschappij, de ZNSM De genodigden stapten op het Van Coothplein in de met vlaggen versierde tramwagens. Na een bezoek aan de remise en de paardenstallen aan de Boulevard Mastbosch werden de gasten uitgenodigd voor een glas champagne in Hotel Mastbosch, waar burgemeester Verdaasdonk nog een toespraak hield. De remise bevond zich op het tweede gedeelte van de Boulevard. De opening in de huizenrij die doorgang moest verschaffen aan de tramwagens is de huidige ingang van de Chopinstraat. De opening van de rest van de lijn werd opgehouden door allerlei problemen. In de Ginnckenstraat en in de Eindstraat moest de Boulevard-tram gebruik maken van de bestaande rails van de GTM. Pas op 9 juli 1902 kon de tram doorrijden naar het station



            In de Carnavalskreet van maandag 11 februari 1901 komt een merkwaardige advertentie voor die voor de lezer uit die tijd natuurlijk volkomen duidelijk was. Boulevard-Tramweg-Maatschappij. De directie bericht dat thans onherroepelijk is besloten nog tot 11 april 1911 gelegenheid te geven tot overname van de concessie, waar zij volstrekt niet mee "in haar maag" zit. Na dit tijdstip zal onverwijld worden overgegaan tot aanbesteding van de lijn, voor zover die er nog niet ligt. Conditiëen voor overname zeer billijk. N.B. Brouwer Kuiten dubbel tarief. Moeten wij hieruit concluderen dat De Bruijne de mogelijkheden toch overschat had?



           Op 26 september 1903 bracht De Bruijne zijn trambedrijf onder in een N.V., onder de naam Tramweg-Maatschappij Breda-Mastbosch, kortweg de BM. Een van de deelnemers was de kassier Jacobus Johannes van Mierlo. De vennootschap kreeg tot doel het aanleggen, exploiteren, huren en verhuren van tramwegen en omnibusdiensten. Men had dus nog plannen tot uitbreiding. Misschien was het de bedoeling aansluitend aan de tramlijnen paarden-omnibussen te laten rijden, bijvoorbeeld naar de Galderseweg of naar Hotel Boschhek De zaken gingen blijkbaar minder goed dan verwacht. Op 27 augustus 1907 verliet De Bruijne zijn woonplaats zonder bekende bestemming en op 17 september werd zijn faillissement aangevraagd Het was het gevolg van speculatie, waarin De Bruijne zich reeds sedert meerdere jaren had begeven. Hij had nog meer dan vijfduizend gulden te verantwoorden aan de kas van de tramwegmaatschappij, terwijl het vermogen van zijn echtgenote geheel was verbruikt. Een iets andere visie geeft het Tramlied dat in 1908 met carnaval werd gezongen Ook hier liep het gerucht, Een Heer was op de vlucht. Hij was naar Brussel toe, Had daar weer blij te moe, Een vrouwtje naar zijn zin, Hij riep: Leve de min! Liet vrouw en kinderen achter met 't gezin, Hij liet de knechts met de paarden rijden, En Nol ging vrijen, enz.



Het tramvraagstuk

           De paardentram werd toch beschouwd als een min of meer voorlopige oplossing. Op 10 maart 1906 vroegen Jonkheer E.H. Prisse en M. Preiswerk, ingenieurs te Brussel, de concessies van de Ginnekensche Tramweg Maatschappij en van de Tramweg-Maatschappij Breda-Mastbosch aan hen over te dragen en toestemming te geven de twee lijnen met elektrische tractie te gaan exploiteren. Beversen en Van Heurn dienden hetzelfde verzoek in. Op 28 april 1906 diende N.J. Beversen bovendien een aanvraag in voor de oprichting van een elektrische centrale in Breda In 1906 verzocht de gemeenteraad J.J.L. Smits, directeur van de gemeentelijke elektrische centrale te Utrecht, advies uit te brengen over de oprichting van een elektrische centrale in Breda. Smits vatte zijn taak grondig op. In zijn Rapport betreffende de oprichting van eene electrische centrale in Breda heeft hij een hoofdstuk gewijd aan een bijdrage tot oplossing van het tramvraagstuk. Hij merkt op dat Breda, Princenhage, Ginneken en Teteringen één geheel vormen. De bestaande paardentrams bedienden een bevolking van ongeveer 50.000 zielen, waarbij dan ook nog een groot aantal tijdelijk verblijfhoudenden kwam, die Breda als vakantiereizigers of voor herstel van gezondheid bezochten. De afstanden tussen de verschillende wijken waren zó groot dat het lokale verkeer tramwegen behoefde. Hij beval aan de lijnen Breda-Ginneken-Ulvenhout en Breda-Mastbos te elektrificeren. Door de elektrificatie zou het vervoer met 50 % stijgen. De gemeente zou deze lijnen eventueel zelf kunnen exploiteren. Bij particuliere exploitatie zou de gemeentelijke centrale de stroom kunnen leveren. De derde druk van de toeristische gids Breda en omstreken in woord en beeld uit 1906 meldt dan ook nogal optimistisch dat het niet lang meer zal duren tot beide trams door één maatschappij zullen worden overgenomen en zal alsdan electrische beweegkracht worden gebezigd. In de vierde druk, uit 1911, treffen we dezelfde opmerking aan.Tot vlak vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleven particuliere investeerders nog plannen maken voor de aanleg van elektrische tramlijnen.



GAS, WATER EN ELEKTRICITEIT VOOR DE NIEUWE STADSWIJK



           De nieuwe Boulevard werd aangelegd buiten de gemeentegrenzen van Breda en dit gaf allerlei specifieke problemen. De bewoners van de nieuwe stadswijk hadden natuurlijk behoefte aan gas en stromend water en allerlei andere voorzieningen. Konden deze geleverd worden door de gemeente Breda of moest dit overgelaten worden aan het particulier initiatief? Dergelijke problemen hadden zich al eerder voorgedaan aan de Ginnekenweg Sinds de komst van de tram in 1884 was deze in een snel tempo verstedelijkt. De gemeente Breda beschikte over een gasfabriek sinds 1858. In 1885 werd reeds een aantal panden aan de Ginnekenweg op het Bredase leidingnet aangesloten. Uitbreiding van het leidingnet werd echter onmogelijk gemaakt door onenigheid tussen de gemeenten Breda en Teteringen. In 1894 werd in Breda de waterleiding in gebruik genomen. Er is echter nooit Bredaas water aan de Ginnekenweg geleverd en de huizen hier bleven aangewezen op de pomp. Telefoon was in Breda in gebruik sinds 1893 en vanaf 1895 was ook de Ginnekenweg aangesloten op het telefoonnet.



Petroleumlampen

           Ook aan de nieuwe Boulevard zou de komst van stedelijke voorzieningen enige tijd op zich laten wachten. De bewoners hoefden overigens niet in het donker te blijven zitten. Petroleumlampen en kaarsverlichting waren niet zo primitief als wij ons voorstellen. Juist in de tijd dat de elektrische verlichting geïntroduceerd werd werden er nieuwe technieken ontwikkeld om met gas, petroleum of andere brandstoffen lampen te laten branden met dezelfde lichtopbrengst als elektrische lampen. Er bestond 'luxe petroleum', die minder stonk en minder walmde dan de petroleum die men voorheen gewend was. Rond de eeuwwisseling werden er petroleumlampen ontwikkeld die brandden op gloeikousjes. Pas in 1895 werden de acetyleenlampen ontwikkeld, die een buitengewoon witgloeiende vlam gaven. In gedeelten van het huis waar men 's avonds niet zo vaak kwam, op de slaapkamer bijvoorbeeld, maakte men gebruik van een kaars op een blaker.



Gas en water

           De bouwplannen rond Breda trokken allerlei particuliere maatschappijen aan, die wilden profiteren van de nieuwe ontwikkelingen. In 1897 werd bij het gemeentebestuur van Ginneken een groot aantal concessieaanvragen ingediend voor de leverantie van gas De Bredasche Bouwgrond-Maat-schappij was blijkbaar niet van plan met één van deze maatschappijen in zee te gaan. In augustus 1898 verzocht de bouw-grondmaatschappij de gemeente Breda om ten behoeve van de woningen die gesticht zouden worden aan de nieuwe weg, het benodigde gas en water te leveren. Het verzoek werd voor de eerste keer behandeld in de raadsvergadering van 27 augustus 1898, maar de gemeenteraad kon niet onmiddellijk een beslissing nemen. Verschillende malen werd de zaak terugverwezen naar commissies en weer opnieuw in de raad behandeld. Financieel scheen het verzoek geen probleem te zijn, integendeel zelfs. De capaciteit van de gasfabriek en van de gemeentelijke waterleiding was voldoende. Als het afzetgebied zou worden uitgebreid, zou dat alleen maar winst opleveren. De nadelen lagen echter op een heel ander vlak. Als men aan de bewoners van de buitengemeenten, die toch al zo veel voordeel genoten door de onmiddellijke nabijheid van Breda zonder in de lasten van deze gemeente bij te dragen, ook nog eens gas en water zou gaan leveren, zou men het wonen in die gemeenten nog aanlokkelijker maken. Het gevaar bestond dat de gemeente Breda leeg zou lopen en dat steeds minder mensen de steeds zwaardere lasten zouden moeten opbrengen. Door de voorstanders van gaslevering werd daartegen ingebracht, dat de annexatie van die gebieden onafwendbaar was en dat men op deze manier op de annexatie vooruit liep. Sommige leden van de gemeenteraad hadden er bovendien problemen mee dat de overheid optrad als fabrikant, zeker ten behoeve van niet-ingezetenen. De leverantie van gas en water buiten de gemeente moest worden overgelaten aan het particulier initiatief. Een ander probleem was de elektriciteit. Breda beschikte hier nog niet over, maar de nieuwe uitvinding zou toch binnen enkele jaren worden ingevoerd. Het was misschien beter, niet te veel te investeren in een verouderend verlichtingssysteem. Uiteindelijk werd toch op 10 december 1898 de levering van gas en water goedgekeurd.